Zurück

Rechtbank van Antwerpen: Geen immuniteit voor een buitenlandse diplomaat die beschuldigd wordt van betrokkenheid bij de voorbereiding van een terroristische aanslag

 
NEWS

Rechtbank van Antwerpen: Geen immuniteit voor een buitenlandse diplomaat die beschuldigd wordt van betrokkenheid bij de voorbereiding van een terroristische aanslag

Bert Theeuwes, Frédéric Dopagne

In een recente zaak die in de media veel aandacht heeft gekregen - zowel in België als in het buitenland - heeft de correctionele rechtbank van Antwerpen geoordeeld dat een Iraanse diplomaat geaccrediteerd bij Oostenrijk, die in Duitsland is aangehouden en vervolgens aan België is uitgeleverd in het kader van de vervolging van strafbare feiten in verband met terrorisme, zich niet kan beroepen op diplomatieke onschendbaarheid. In zijn vonnis van 4 februari 2021 (ongepubliceerd) merkt de rechtbank op, dat de diplomaat terugkeerde van vakantie toen hij door de Duitse politie werd tegengehouden, en oordeelt derhalve dat hij niet onder de immuniteit valt, die geldt onder het internationale recht voor diplomaten op doorreis.

Aangezien de diplomaat nooit bij België (of bij Duitsland) geaccrediteerd is geweest, werd niet betwist dat hij in België (of in Duitsland) geen immuniteit genoot op grond van artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961: als zodanig voorziet artikel 31 alleen in diplomatieke immuniteit in de ontvangende staat (in dit geval dus Oostenrijk).

De verdachte voerde echter aan dat hij, toen hij in Duitsland werd gearresteerd, als diplomaat op doorreis in een derde staat door persoonlijke onschendbaarheid en immuniteit werd beschermd onder artikel 40 van het Verdrag van Wenen: Artikel 40, lid 1, bepaalt: "Indien een diplomatieke ambtenaar op doorreis is door, of zich bevindt op, het grondgebied van een derde staat, (...) terwijl hij op weg is om zijn werkzaamheden op zijn post te aanvaarden of om naar zijn post terug te keren, of wanneer hij naar zijn eigen land terugkeert, verleent de derde staat hem onschendbaarheid en alle overige immuniteiten die noodzakelijk zijn voor zijn doorreis of terugkeer (...)". Op grond van deze immuniteit van diplomaten op doorreis betoogde de beschuldigde dat zijn aanhouding onwettig was en dat hij bijgevolg niet rechtmatig aan België kon worden uitgeleverd en evenmin rechtmatig voor de Belgische rechtbanken kon worden vervolgd.

De rechtbank verwierp het immuniteitsargument afgeleid van artikel 40. Op basis van het strafrechtelijk onderzoek benadrukte de rechtbank dat de diplomaat weliswaar op weg was naar zijn post in Wenen toen hij in Duitsland werd gearresteerd, maar dat hij op dat moment terugkwam van vakantie met zijn gezin in België. Hij reisde dus om persoonlijke redenen en niet in het kader van een diplomatieke missie. De rechtbank sloot zich vervolgens aan bij een arrest van 2 januari 2019 van het Belgische Hof van Cassatie in de onderhavige zaak.

In dit arrest oordeelde het Hof van Cassatie dat artikel 40, lid 1, van het Verdrag van Wenen strikt moet worden geïnterpreteerd en dat de doorreis, die immuniteit op grond van deze bepaling teweegbrengt, bijgevolg niet de terugreis omvat naar de accreditatielocatie vanuit een derde staat waar de diplomaat op vakantie was, aangezien dit niets te maken heeft met de uitoefening van diplomatieke functies. Volgens het Hof van Cassatie is de doorreis in de zin van artikel 40, lid 1, beperkt tot reizen tussen de zendstaat en de ontvangende staat, alsook tot reizen tussen de ontvangende staat en een ander land waar de diplomaat een diplomatieke missie moet vervullen.

Ten gronde werd de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf en inmiddels is bekend dat hij het beroep, dat hij aanvankelijk tegen het vonnis had ingesteld, heeft ingetrokken.

Concluderend kan worden vastgesteld dat de strikte interpretatie van artikel 40, lid 1, die in deze zaak wordt verdedigd, ook terug te vinden is in een aantal rechterlijke uitspraken in andere staten, maar dat de jurisprudentie geen eenstemmigheid vertoont. Bijgevolg bestaat er in het huidige internationale recht nog steeds rechtsonzekerheid over de specifieke draagwijdte van de immuniteit, die aan diplomatieke ambtenaren op doorreis wordt verleend. Tegen deze achtergrond dienen diplomaten, die op reis gaan met de bedoeling om tijdens het reizen immuniteit te genieten, vooraf zorgvuldig de feitelijke praktijk in de staat of staten van doorreis na te gaan.

Lernen Sie das Expertenteam aus diesem Artikel kennen