Zurück

Meer Brexit-gevolgen: de situatie van Britse EU-ambtenaren die de Belgische nationaliteit hebben verworven

 
NEWS

Meer Brexit-gevolgen: de situatie van Britse EU-ambtenaren die de Belgische nationaliteit hebben verworven

Frédéric Dopagne, Bert Theeuwes

De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU) heeft op verschillende gebieden talrijke juridische gevolgen gehad - en zal dat ook in de toekomst nog hebben. Een van de dimensies die minder onder de aandacht zijn gekomen, betreft de Britse onderdanen die vóór Brexit door de EU-instellingen in dienst waren genomen. In een arrest van 5 oktober 2020 (zaak T-18/19, Brown v. Commissie) heeft het Gerecht van de Europese Unie (Luxemburg) geoordeeld dat een EU-ambtenaar met de Britse nationaliteit, die de Belgische nationaliteit had verworven om ervoor te zorgen dat hij ondanks Brexit zijn baan bij de Europese Commissie in Brussel kon behouden, niet langer recht heeft op een ontheemdingstoelage.

Verzoeker begon in 2001 bij de Commissie te werken, toen hij nog alleen de Britse nationaliteit had. Bij zijn aanwerving ontving hij een maandelijkse ontheemdingstoelage overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de EU, de regels voor de tewerkstelling van EU-ambtenaren. Nadat het VK had meegedeeld dat het de EU wilde verlaten, vroeg hij de Belgische nationaliteit aan en verkreeg die in 2017. Vanaf dat moment trok de Commissie zijn recht op de ontheemdingstoelage in, omdat hij de Belgische nationaliteit had verkregen en omdat hij sinds 1997 in België woonde (vóór zijn indiensttreding). De Commissie baseerde zich in dit verband op artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Statuut.

In zijn beroep bij het Gerecht om de geldigheid van het besluit van de Commissie te betwisten, voerde verzoeker onder meer aan dat artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII niet toestaat dat het recht van een ambtenaar op de ontheemdingstoelage opnieuw wordt beoordeeld op grond dat hij/zij in de loop van zijn of haar loopbaan de nationaliteit heeft verworven van het land waar hij/zij tewerkgesteld is. Artikel 4, lid 1, sub a, bepaalt in wezen dat de toelage wordt betaald aan ambtenaren die niet de nationaliteit van de staat van tewerkstelling hebben en deze ook nooit hebben gehad, en die gedurende een periode van vijf jaar, eindigend zes maanden vóór zijn/haar indiensttreding, niet regelmatig in deze staat hebben gewoond en er evenmin hun voornaamste beroepsbezigheden hebben uitgeoefend.

Het Gerecht was van oordeel dat, aangezien de ontheemdingstoelage maandelijks wordt betaald, de administratie deze niet kan blijven betalen wanneer zich een gebeurtenis voordoet die de situatie van de begunstigde van deze toelage ingrijpend wijzigt, voor zover dit van invloed is op de voorwaarden voor toekenning van deze toelage - in dit geval de voorwaarde geen onderdaan te zijn van het land van tewerkstelling. Na eraan te hebben herinnerd dat het doel van de ontheemdingstoelage ter compensatie is van de extra kosten en het ongemak van het aannemen van een baan bij EU-instellingen voor ambtenaren die verplicht zijn hun woonplaats over te brengen naar het werkland, oordeelde het Gerecht ook dat de verwerving van de nationaliteit van het land van tewerkstelling na indiensttreding een specifieke vorm van integratie in dat land is en een substantiële wijziging van de omstandigheden kan betekenen, die tot het verlies van de ontheemdingstoelage kan leiden. Volgens het Gerecht heeft de Commissie artikel 4, lid 1, sub a, niet verkeerd uitgelegd door te oordelen dat de verwerving van de Belgische nationaliteit tijdens de loopbaan van verzoeker aanleiding heeft gegeven tot een herbeoordeling van zijn recht op de toelage.

Voorts voerde de verzoeker aan dat hij gedwongen was om de Belgische nationaliteit aan te vragen - een voorwaarde die zou neerkomen op overmacht - omdat dit voor hem op dat moment de enige oplossing leek om in dienst te blijven ingeval de Brexit van kracht zou worden. In dit verband heeft het Gerecht erkend dat ambtenaren, die niet langer voldoen aan de voorwaarde dat zij onderdaan zijn van een EU-lidstaat, volgens de relevante bepalingen van het Statuut inderdaad kunnen worden verplicht ontslag te nemen; en dat de Commissie pas in 2018 - d.w.z. nadat verzoeker de Belgische nationaliteit had aangevraagd (en verkregen) - heeft besloten dat zij haar discretionaire bevoegdheid niet zou uitoefenen om het ontslag te eisen van ambtenaren met de Britse nationaliteit, behalve in specifieke gevallen. Het Gerecht heeft echter het op overmacht gebaseerde argument verworpen. Het oordeelde dat niet is gebleken dat het verlies van de ontheemdingstoelage een onredelijke last vormde, gelet op de door verzoeker verkregen volledige garantie dat hij door de Belgische nationaliteit te verwerven in dienst zou blijven in geval van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU.

Ook andere middelen van verzoeker werden afgewezen, zodat het Gerecht het beroep heeft verworpen. De verzoeker heeft beroep aangetekend bij het Hof van Justitie van de EU, dat tot op heden nog steeds aanhangig is (zaak C-675/20 P).

Lernen Sie das Expertenteam aus diesem Artikel kennen