Zurück

Extraterritoriale sancties van de VS tegen Iran: mogen bedrijven uit de EU ze volgens het EU-recht naleven?

 
NEWS

Extraterritoriale sancties van de VS tegen Iran: mogen bedrijven uit de EU ze volgens het EU-recht naleven?

Frédéric Dopagne, Bert Theeuwes

Om het extraterritoriale effect tegen te gaan van de sancties die de Verenigde Staten in 2018 opnieuw aan Iraanse ondernemingen en entiteiten hebben opgelegd (in de nasleep van de terugtrekking van de VS uit de ‘nucleaire deal met Iran’ van 2015), heeft de Europese Unie (EU) het zogenaamde blokkeringsstatuut, dat aanvankelijk in 1996 was aangenomen, opnieuw in werking gesteld. De kernbepalingen van dit instrument verbieden EU-bedrijven in wezen om de Amerikaanse sancties na te leven. Overigens, naar aanleiding van een geding dat bij de Duitse rechter aanhangig is, heeft de advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie op 12 mei 2021 zijn conclusie gegeven (zaak C-124/20, Bank Melli Iran v. Telekom Deutschland GmbH), waarin hij de verstrekkende reikwijdte van het blokkeringsstatuut bevestigde en betreurde dat EU-bedrijven dan mogelijk ernstige gevolgen kunnen ondervinden in hun activiteiten met de VS.

De sancties van de VS tegen Iran zijn voornamelijk van toepassing op Amerikaanse en niet-Amerikaanse personen die onder de jurisdictie van de VS vallen (de zogenoemde primaire sancties). Sommige van deze sancties zijn echter ook gericht op niet-Amerikaanse ondernemingen en activiteiten buiten de jurisdictie van de VS, bijvoorbeeld EU-ondernemingen die handel drijven of investeren met Iraanse ondernemingen en entiteiten (zogenaamde secundaire sancties): deze EU-ondernemingen worden onder meer geconfronteerd met hoge boetes voor hun dochterondernemingen op Amerikaans grondgebied of zelfs met beperkingen op de toegang tot de Amerikaanse markt. Dergelijke secundaire sancties hebben in zoverre een extraterritoriale werking, waarvan de rechtmatigheid krachtens het internationale recht betwistbaar is.

Om binnen de EU het extraterritoriale effect van oudere secundaire sancties van de VS te neutraliseren, had de EU al in 1996 een specifieke verordening aangenomen (het zogenaamde blokkeringsstatuut) (Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen). In 2018 heeft de EU de nieuwe Amerikaans sanctiewetgeving tegen Iran toegevoegd aan de lijst (in de bijlage bij de verordening) van buitenlandse bepalingen, die de toepassing van het blokkeringsmechanisme in werking stellen. In een notendop bepaalt artikel 5, lid 1, van de verordening, dat EU-bedrijven de sancties beschreven in de bijlage (dus met inbegrip van de Amerikaanse sancties tegen Iran) en daaraan gerelateerde gerechtelijke bevelen niet mogen naleven.

Tegen die achtergrond is in Duitsland een geding ontstaan. Bank Melli, een Iraanse bank, had contracten gesloten met Telekom Deutschland, een dochteronderneming van Deutsche Telekom. In 2018 werd Bank Melli geplaatst op de Amerikaanse lijst van Iraanse entiteiten die onder de opnieuw geactiveerde sancties vallen. Enkele dagen later beëindigde Telekom Deutschland alle contracten met Bank Melli met onmiddellijke ingang - d.w.z. vóór het verstrijken van de gewone opzegtermijn die onder Duits recht van toepassing is. Vervolgens is Telekom Deutschland ook de gewone beëindiging gestart tegen de vroegst mogelijke datum.

In een procedure voor de Duitse rechtbank voerde Bank Melli aan dat zelfs de kennisgeving van gewone opzegging door Telekom Deutschland in strijd is met artikel 5, lid 1, van het EU-blokkeringsstatuut en daarom als onwerkzaam moet worden beschouwd, aangezien deze kennisgeving uitsluitend was ingegeven door de wens van Telekom Deutschland om de Amerikaanse sancties na te leven. Telekom Deutschland antwoordde dat artikel 5, lid 1, van het blokkeringsstatuut geen afbreuk doet aan haar recht op gewone beëindiging, dat niet afhankelijk is van een specifieke reden, en haar vrij laat om haar zakenrelaties om economische redenen te beëindigen. In dit verband heeft het Hanseatische Oberlandesgericht Hamburg vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, lid 1.

In zijn conclusie was advocaat-generaal Hogan ten eerste van mening dat het verbod van artikel 5, lid 1, ook van toepassing was wanneer een EU-ondernemer voldoet aan buitenlandse wetgeving die secundaire sancties bevat, zonder eerst door een buitenlandse administratieve of rechterlijke instantie daartoe gedwongen te zijn. In het onderhavige geval had Telekom Deutschland immers geen specifieke instructies van de Amerikaanse autoriteiten ontvangen.

Ten tweede beklemtoonde de advocaat-generaal dat, uit de duidelijke bewoordingen van artikel 5, lid 1, volgt dat een onderneming, die een overigens geldige overeenkomst wenst te beëindigen met een Iraanse entiteit waarop Amerikaanse sancties van toepassing zijn, ten genoegen van de nationale rechter moet aantonen dat zij dit niet heeft gedaan omdat zij deze sancties wilde naleven. In het onderhavige geding was het volgens hem aan Telekom Deutschland om aan te tonen dat er een objectieve reden was, anders dan het feit dat Bank Melli aan primaire sancties was onderworpen, om de betrokken overeenkomsten te beëindigen, en was het aan de nationale rechter om de juistheid van dergelijke redenen na te gaan.

Ten slotte stelde de advocaat-generaal dat, wanneer een EU-onderneming het verbod van artikel 5, lid 1, niet in acht heeft genomen door contracten op te zeggen om aan de Amerikaanse sancties te voldoen, de nationale rechter bij wie de zaak van de aan de primaire sancties onderworpen contracterende partij is aangebracht, verplicht is de EU-onderneming te gelasten de contracten te handhaven. Dit is zelfs het geval als een dergelijk bevel in strijd zou kunnen zijn met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (bescherming van de vrijheid van ondernemerschap, waaronder de vrijheid om contracten te sluiten en dus noodzakelijkerwijs ook de vrijheid om geen contracten te sluiten) en zelfs als de EU-onderneming dan het risico loopt om in de VS zwaar te worden bestraft (financiële sancties, onderbrekingen van de bedrijfsvoering, enz.).

Het is nu de vraag of het Hof van Justitie in zijn aanstaande arrest de mening van de advocaat-generaal zal volgen.

Lernen Sie das Expertenteam aus diesem Artikel kennen