Back

De Vlaamse Codex gedelibereerd! Bespreking van het arrest nr. 8/2011 van het Grondwettelijk Hof

 
PUBLICATION

De Vlaamse Codex gedelibereerd! Bespreking van het arrest nr. 8/2011 van het Grondwettelijk Hof

Chiel Sempels

Algemeen

Beoefenaars van het stedenbouwrecht weten dat er sinds de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een aantal verzoekschriften aan het Grondwettelijk Hof zijn voorgelegd die de grondwettelijkheid van een resem artikelen betwisten. Vooral de beroepsprocedure, met in hoofdzaak de oprichting en de bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, lag sterk onder vuur. Dit noopte het Grondwettelijk Hof tot een diepgaand onderzoek waarvan het resultaat met het arrest nr. 8/2011 van 27 januari 2011 eindelijk bekend is.

Na lezing van het arrest meen ik te mogen besluiten dat de Vlaamse Codex de toets met de Grondwet goed heeft doorstaan. Zo kan ik u alvast meedelen dat de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen op rechtsgeldige wijze is verlopen. In het bestek van deze nieuwsbrief is het uiteraard niet mogelijk om elk van de opgeworpen middelen en aangevochten bepalingen van de Vlaamse Codex te behandelen. Ik beperk me derhalve tot een korte bespreking van de drie belangrijkste passages uit het arrest. Deze behelzen onder meer :

  • Het (gebrek aan) openbaar onderzoek in het kader van een verkavelingswijziging
  • De termijn om beroep in te dienen voor derde belanghebbenden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen
  • De oprichting en de bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

 

Het openbaar onderzoek na aanvraag tot verkavelingswijziging

Volgens artikel 4.6.7 § 1 derde lid Vlaamse Codex is een vergunningsverlenende overheid niet verplicht om tijdens de procedure tot wijziging van een verkaveling een openbaar onderzoek te organiseren.

De verzoekende partijen voeren aan dat deze bepaling het gelijkheidsbeginsel schendt inzoverre een aanvraag tot bouwvergunning die afwijkt van een verkavelingsvergunning, wel verplicht wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek. Voorts merken zij nog een tweede ongelijkheid op : waar een bouwvergunning in principe slechts in de gevallen zoals opgesomd in artikel 4.4.1 §1 Vlaamse Codex kan afwijken van verkavelingsvoorschiften, legt artikel 4.6.7 §1 Vlaamse Codex ten aanzien van verkavelingswijzigingen geen enkele beperking op.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat dit verschil in behandeling niet op een redelijke wijze verantwoordt is. Het arrest van het Grondwettelijk Hof heeft tot gevolg dat elke procedure tot verkavelingswijziging verplicht gepaard gaat met een openbaar onderzoek.

De beroepstermijn van 30 dagen voor derde belanghebbenden

Een tweede middel is gericht tegen het artikel 4.8.16 §2 Vlaamse Codex dat de beroepstermijn waarover derde belanghebbenden beschikken om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen vaststelt op 30 dagen.

De verzoekende partijen vergelijken de nieuwe beroepstermijn met de gelding onder het vroegere Decreet Ruimtelijke Ordening, waar belanghebbenden individuele vergunningsbeslissingen konden aanvechten voor de Raad van State, binnen een termijn van 60 dagen vanaf de kennisname van de beslissing. De inkorting van de beroepstermijn tot 30 dagen zou een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van belanghebbenden veroorzaken waardoor deze bepaling artikel 23 van de Grondwet schendt.

Het Grondwettelijk Hof stelt dat de beroepstermijn van 30 dagen past binnen de visie van de decreetgever om de vergunningsprocedure op een snelle wijze te doorlopen, teneinde de vergunningsaanvrager zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen.. Maar dergelijke vermindering heeft volgens het Hof wel tot gevolg dat derde belanghebbenden over een te beperkte tijd beschikken om kennis te nemen van de aanplakking of van de opname in het vergunningenregister van de beslissing en om desgewenst beroep in te stellen. De inkorting van de beroepstermijn tot 30 dagen legt aan derde belanghebbenden een onevenredig strenge verplichting tot waakzaamheid op, die de toegang tot de rechter in bepaalde gevallen beperkt.

Het Hof besluit dat artikel 4.8.16 §2, 1°, b), 2°, b) en 3°, b), Vlaamse Codex strijdig is met artikel 23 van de Grondwet en artikel 6 van het EVRM en vernietigt derhalve dit artikel. De vernietiging door het Hof leidt vooralsnog niet tot een impasse in de wetgeving ruimtelijke ordening. Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling (de beroepstermijn van 30 dagen) tot en met 31 juli 2011. De decreetgever is nu aan zet om binnen die periode regelgevend op te treden.

De oprichting en bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

Een van de belangrijkste vernieuwingen van de Vlaamse Codex betreft de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Sinds de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex op 1 september 2009 is de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd om uitspraak te doen over vernietigings- en schorsingsberoepen tegen de weigering of de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen door de deputatie. De rol van de Raad van State is teruggedrongen tot cassatierechter in individuele vergunningsbeslissingen.

De kritiek van de verzoekende partijen komt erop neer dat enkel de federale wetgever bevoegd is om een nieuw administratief rechtsorgaan, zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen, op te richten. Per slot van rekening bepaalt artikel 161 van de Grondwet dat enkel de wet kan voorzien in de oprichting van een administratief rechtscollege. De grondwet heeft deze bevoegdheid met andere woorden uitdrukkelijk toegewezen aan de federale wetgever.

Het uitgangspunt van de verzoekende partijen is in beginsel correct. Maar zoals geweten zijn uitzonderingen in het recht alomtegenwoordig. De decreetgever beriep zich in casu op artikel 10 van de Bijzondere Wet Hervorming der Instellingen, op grond waarvan zij kan optreden in aangelegenheden waarvoor zij niet bevoegd is, ten minste indien dit optreden noodzakelijk is in het kader van de uitoefening van eigen bevoegdheden.

Het Grondwettelijk Hof diende aldus te onderzoeken of de noodzaak tot regelgevend optreden voldoende was aangetoond. Het Hof vindt een voldoende verantwoording terug in de parlementaire voorbereiding van de Vlaamse Codex. De procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen vervangt het vroegere beroep bij de Vlaamse Regering tegen vergunningsbeslissingen van de deputatie. Uit de memorie van toelichting bij de Vlaamse Codex blijkt dat de decreetgever ervoor opteerde om het beroep over te hevelen naar een onafhankelijk, objectief en gespecialiseerd rechtsorgaan dat vergunningsbeslissingen toetst op hun conformiteit met de regelgeving inzake ruimtelijke ordening en geen opportuniteitsoordeel velt. De weerslag op de bevoegdheden van de federale wetgever is eerder marginaal, aangezien de bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen beperkt zijn tot individuele vergunningsbeslissingen.

Om deze redenen verwerpt het Grondwettelijk Hof alle rechtsmiddelen tegen de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Besluit

De impact van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 8/2011 op de regelgeving inzake  ruimtelijke ordening is al bij al beperkt. Het Grondwettelijk Hof vernietigde weliswaar twee bepalingen (gedeeltelijk), onder meer de termijn om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar deze vernietiging leidt niet tot enige impasse of leemte binnen de Vlaamse stedenbouwwetgeving. De vrees bestond nochtans dat het Grondwettelijk Hof de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou vernietigen, wat ernstige problemen zou veroorzaken in het kader van de rechtsbescherming van belanghebbenden. Dit is niet gebeurd. De Vlaamse Codex heeft de toets met de Grondwet goed doorstaan.