Back

Doorlichting van de hoge raad voor het handhavingsbeleid

 
PUBLICATION

Doorlichting van de hoge raad voor het handhavingsbeleid

Chiel Sempels

De nieuwe Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening[1], hierna VCRO,  brengt een aantal wijzigingen tot stand wat betreft het handhavingsbeleid inzake ruimtelijke ordening.

De Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (hierna ‘Hoge Raad'), voorheen de Hoge Raad voor Herstelbeleid, speelt een nieuwe en dominantere rol na uitbreiding van zijn bevoegdheden. Waar vroeger de bevoegdheid van de Hoge Raad beperkt was tot het verlenen van advies bij het formuleren van een herstelvordering en bij het opstarten van een ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke uitspraak, heeft de Hoge Raad nu tevens beslissingsbevoegdheid bij de inning van dwangsommen en de mogelijkheid tot het opstarten van bemiddelingspogingen.

Bovendien kan, zoals voorheen, de Hoge Raad op verzoek van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering of op eigen initiatief omtrent alle aangelegenheden met betrekking tot het handhavingsbeleid advies geven, opmerkingen maken of voorstellen doen.

1. Adviesbevoegdheid    

De VCRO voorziet dat de Hoge Raad tussenkomt als adviserend orgaan op vier ogenblikken in het kader van de handhaving, m.n.

- bij het formuleren van een herstelvordering,

- bij het aanhangig maken van opeenvolgende herstelvorderingen,

- bij de betekening van sommige vonnissen en arresten,

- en tenslotte bij het opstarten van een ambtshalve uitvoering van gerechtelijke uitspraken.

Hierna overlopen we de adviesbevoegdheden van de Hoge Raad in het kader van de handhaving in de volgorde waarin ze zich in de praktijk kan voordoen.

a. Advies bij het formuleren van een herstelvordering

De stedenbouwkundige inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen kunnen de herstelvordering slechts inleiden bij de rechter  in het geval de Hoge Raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend. Andere overheidsinstanties, parketten, burgerlijke partijen of een derde-belanghebbende kunnen niet op ontvankelijke wijze een advies vragen aan de Hoge Raad.

b. Opeenvolgende herstelvorderingen

Een belangrijke wijziging doet zich voor in de hypothese van opeenvolgende herstelvorderingen.

In het verleden gebeurde het regelmatig dat het bestuur een nieuwe herstelvordering bij de burgerlijke rechter inleidde. Deze hypothese deed zich voor wanneer bijvoorbeeld de initieel geadieerde rechtbank de vordering ongegrond verklaarde omdat ze kennelijk onredelijk was en de herstelvorderende overheid de keuze voor de initiële herstelvordering wijzigde, of wanneer de herstelvordering door het parket werd geseponeerd,  of wanneer de strafrechter zich onbevoegd verklaarde. Deze praktijk is nu slechts mogelijk na toestemming van de Hoge Raad.

In het kader van zijn onderzoek zal de Hoge Raad moeten nagaan of het gezag van gewijsde van de eerste geadieerde rechter niet door de nieuwe vordering wordt miskend en of er voldoende redenen voorhanden zijn, rekening houdend met o.a. de rechten van belanghebbenden en de goede ruimtelijke ordening.

c. Advies bij de betekening van sommige (oude) vonnissen en arresten 

De stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen dienen een advies van de Hoge Raad in te winnen wanneer zij willen overgaan tot betekening van een rechterlijke beslissing waarin de rechter het bestuur gemachtigd heeft om ambtshalve in de uitvoering te voorzien.

Een positief advies van de Hoge Raad is enkel vereist wanneer de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen op de betekeningsdatum reeds tien jaar of meer is verstreken en cumulatief aan alle hierna vermelde voorwaarden is voldaan : 

  • de inbreuk is niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied
  • het misdrijf dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis of arrest heeft geen betrekking op het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot de voor het gebied toegelaten bestemmingen.
  • de tot de herstelmaatregel veroordeelde persoon heeft geen recidive gepleegd.

Enkel wanneer de Hoge Raad in bovenstaand geval een positief advies verleent, kan de overheid overgaan tot betekening.

d. Ambtshalve uitvoering

Onder  ambtshalve uitvoering van een vonnis of arrest wordt verstaan de situatie waarbij de handhavende overheid op kosten van de veroordeelde het herstel in de vorige staat zelf uitvoert omdat de veroordeelde bouwovertreder de gerechtelijke uitspraak niet binnen de voorziene termijn is nagekomen.

De ambtshalve uitvoering van de gerechtelijke uitspraak kan enkel aangevat worden in het geval de Hoge Raad daartoe een positief advies heeft verleend.

e. Elementen die aan de adviesaanvragen gemeen zijn

Het bestuur maakt de adviesaanvraag over bij beveiligde zending. 

De Hoge Raad dient het advies binnen een vervaltermijn van 60 dagen uit te brengen, die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag.  Enkel bij de adviesaanvragen betreffende de herstelvordering en de ambtshalve uitvoering dient nog een kanttekening geplaatst te worden. Wanneer de adviesaanvraag inzake herstelvordering en ambtshalve uitvoering zich leent tot eenvoudige afdoening dient het advies binnen een vervaltermijn van 30 dagen te worden verleend die ingaat de dag na deze van de betekening van de adviesaanvraag. Een adviesaanvraag leent zich enkel tot eenvoudige advies verlening indien de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:

  • De adviesaanvraag is kennelijk onontvankelijk/ongegrond, de herstelvordering of ambthalve uitvoering is kennelijk rechtmatig  of het misdrijf is gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Gelet op de hoge bescherming van natuurwaarden in dergelijk gebieden is er immers nood aan een hoogdringend herstel
  • De zaak heeft geen betrekking op algemene rechtspunten of beleidsvragen die in het belang van het handhavingsbeleid door de plenaire vergadering van de Hoge Raad moeten worden beslecht, en evenmin verleent het belang van de zaak of een bijzondere omstandigheid grond tot een plenaire behandeling.

Wanneer de adviesaanvraag zich niet leent tot eenvoudige afdoening brengt de plenaire vergadering van de Hoge Raad een advies uit binnen de normale vervaltermijn van 60 dagen.

Indien de Hoge Raad deze vervaltermijn van 30 dagen resp.60 dagen overschrijdt kan de overheid voorbijgaan aan de adviesvereiste.

Een positief advies geldt voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop over het advies wordt beslist.

Indien het advies negatief is kan het betrokken bestuur of een derde-belanghebbende bij de Hoge Raad een gemotiveerd verzoek tot heroverweging instellen.

Het advies wordt bij beveiligde zending betekend aan het betrokken bestuur. Bovendien ontvangt de belanghebbende die werd gehoord of van wiens bestaan de Hoge Raad op de hoogte is, een afschrift van het advies.  Enkel wanneer de Hoge Raad een advies verleent inzake betekeningen van vonnissen of arresten ontvangt de belanghebbende geen afschrift.

2. Invorderen van dwangsommen

De Hoge Raad kreeg een geheel nieuwe beslissingsbevoegdheid toebedeeld. Op gemotiveerd verzoek kan de Hoge Raad beslissen dat de invordering van opeisbare dwangsommen tijdelijk wordt opgeschort of slechts gedeeltelijk ingevorderd kunnen worden.

Veroordeelde schuldenaars kunnen hiertoe bij gemotiveerd verzoek richten tot de Hoge Raad.

Dit verzoek dient op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending zowel aan de Hoge Raad als aan de uitvoerende overheid bezorgd te worden. Bovendien dient het bewijs van de beveiligde zending aan het betrokken bestuur op straffe van onontvankelijkheid bij het verzoek tot de Hoge raad worden gevoegd. Vervolgens dient de verzoeker een afschrift van het verzoek aan het Herstelfonds te bezorgen.

Het uitvoerende bestuur bezorgt een schriftelijk advies aan de Hoge Raad binnen een vervaltermijn van 20 dagen, na deze van de betekening van het verzoek aan het uitvoerende bestuur.

Indien binnen voormelde termijn geen advies wordt verleend, mag de Hoge Raad voorbij gaan aan de adviesvereiste. De Hoge Raad beslist binnen een ordetermijn van 60 dagen die ingaat na deze van de betekening van het verzoek aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad bezorgt een afschrift van de beslissing aan het Herstelfonds en de beslissing per beveiligde zending aan het uitvoerende bestuur en aan de verzoeker.

De nieuwe beslissingbevoegdheid is verenigbaar met artikel 1385 quinquies Gerechtelijk Wetboek. Art. 1385qq.  bepaalt dat de Rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

3. Bemiddelingsopdrachten

De Hoge Raad is ten slotte nog belast met bemiddelingsopdrachten.

De bemiddeling door de Hoge Raad vindt plaats zowel binnen als buiten de gerechtelijke procedure.

Indien de herstelvordering niet aanhangig is voor de rechtbank kan de overtreder de stedenbouwkundige inspecteur verzoeken om een minnelijke schikking af te sluiten. Wanneer de stedenbouwkundige inspecteur, om een andere reden dan het niet-akkoord van de procureur des Konings, weigert een minnelijke schikking aan te gaan, kan de overtreder een verzoek tot bemiddeling richten aan de Hoge Raad. Dit verzoek aan de Hoge Raad moet worden verzonden binnen een vervaltermijn van 30 dagen, na ontvangst van de weigering van de minnelijke schikking.

Het resultaat van de bemiddeling is uiteraard afhankelijk van de wil van beide partijen. Indien de stedenbouwkundige inspecteur zijn medewerking niet wenst te verlenen, wordt de bemiddeling stopgezet.

In lopende rechtszaken heeft de rechter, bij wie de herstelvordering aanhangig is, de mogelijkheid een poging tot bemiddeling door de Hoge Raad te bevelen. In dit geval geldt de voorafgaande instemming van de procureur des Konings niet. De Hoge Raad meldt het resultaat van de bemiddeling aan de rechter die vervolgens de zaak verder behandeld en vonnis of arrest velt.

 


[1] Inwerkingtreding op 1 september 2009