Back

Het faillisement van de hoofdaannemer of het failliet van de rechtstreekse vordering?

 
PUBLICATION

Het faillisement van de hoofdaannemer of het failliet van de rechtstreekse vordering?

Annemie Snick

1. Wat is de rechtstreekse vordering?

Door het invoeren in 1990 van de rechtstreekse vordering in het Burgerlijk Wetboek, heeft de wetgever voor de onderaannemer naast de vordering tegen zijn eigenlijke schuldenaar, de hoofdaannemer, een tweede vordering gecreëerd tegen de opdrachtgever.

Het rechtstreeks vorderingsrecht veronderstelt dat de onderaannemer een tegoed heeft op de hoofdaannemer en dat deze op zijn beurt nog een tegoed heeft op de opdrachtgever. Dit laatste tegoed vormt het onderpand van de rechtstreekse vordering van de onderaannemer.

Vb. Onderaannemer X heeft opzichtens hoofdaannemer Y een schuldvordering ten bedrage van 10.000 EUR voor werken die hij in onderaanneming van hoofdaannemer Y heeft uitgevoerd aan het gebouw van bouwheer Z. Bouwheer Z is aan hoofdaannemer Y nog een bedrag van 7.500 EUR verschuldigd voor de uitgevoerde bouwwerken in het kader waarvan een beroep werd gedaan op onderaannemer X. Onderaannemer X kan voor het bedrag van 7.500 EUR een rechtstreekse vordering instellen tegen bouwheer Z

2. Hoe werkt de rechtstreekse vordering?

Het rechtstreeks vorderingsrecht ontstaat en krijgt gestalte op het ogenblik van de uitoefening ervan, dit is op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld door middel van een dagvaarding voor de rechtbank.

3. Controverse : Wat bij faillissement van de hoofdaannemer?

In de rechtspraak en de rechtsleer bestond gedurende lange tijd onenigheid over de vraag of de onderaannemer nog baat heeft bij het instellen van de rechtstreekse vordering na het faillissement van de hoofdaannemer.

Volgens één strekking diende de rechtstreekse vordering na het faillissement van de hoofdaannemer te worden toegestaan. Die strekking ging ervan uit dat de onderaannemer over een eigen recht beschikt dat hem toelaat rechtstreeks het vermogen van de opdrachtgever aan te spreken zonder in samenloop te komen met de andere schuldeisers van zijn schuldenaar, de hoofdaannemer.

Volgens de andere strekking kon de onderaannemer na het faillissement van de hoofdaannemer geen rechtstreekse vordering meer instellen tegen de bouwheer, opdrachtgever.

4. Oplossing van het hoogste gerechtshof

A. Faillissement van de hoofdaannemer

Het Hof van Cassatie heeft in haar arresten dd. 27/05/2004 en 23/09/2004 een einde gesteld aan de jarenlange onzekerheid. Daarin wordt beslist dat de rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de hoofdaannemer niet meer kan worden ingesteld na het faillissement van de hoofdaannemer.

Het opperste gerechtshof vertrekt daarbij van de overweging dat krachtens de art. 7 & 8 Hypotheekwet de schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor de nakoming van zijn verbintenissen en dat zijn goederen tot de gemeenschappelijk waarborg strekken van zijn schuldeisers, onder wie de prijs van de goederen naar evenredigheid moet worden verdeeld.

Verder verwijst het Hof van Cassatie naar art. 16,1 Faillissementwet dat stelt dat vanaf het faillissementsvonnis de gefailleerde van rechtswege het beheer verliest over al zijn goederen.

Het faillissement heeft dus voor gevolg dat de schuldvordering van de hoofdaannemer op de opdrachtgever onbeschikbaar wordt. Aangezien de rechtstreekse vordering enkel kan worden ingesteld wanneer de schuldvordering van de hoofdaannemer op de opdrachtgever nog beschikbaar is in het vermogen van de hoofdaannemer concludeert het Hof dat de rechtstreekse vordering niet meer kan worden ingesteld na het faillissement van de hoofdaannemer.

B. In vereffeningstelling van de hoofdaannemer

In een tweede arrest van 23/09/2004 heeft het Hof van Cassatie gesteld dat ook de in vereffeningstelling van de hoofdaannemer belet dat de onderaannemer een rechtstreekse vordering instelt tegen de opdrachtgever.

Het Hof motiveert haar beslissing door te wijzen op het feit dat vanaf de in vereffeningstelling van de hoofdaannemer de wederzijdse rechten van de schuldeisers wiens vordering is ontstaan voor de in vereffeningstelling op een onherroepelijke wijze worden vastgelegd. Dit principe verzet zich tegen de instelling van de rechtstreekse vordering vanaf de in vereffeningstelling van de hoofdaannemer.

C. Andere gevallen van samenloop van schuldeisers

Het feit dat het Hof van Cassatie op 23/09/2004 twee arresten heeft uitgesproken waarin het zich verzet tegen het instellen van de rechtstreekse vordering na faillissement en in vereffeningstelling van de hoofdaannemer laat veronderstellen dat het Hof deze oplossing zal toepassen op alle gevallen van samenloop, dus ook in geval van gerechtelijk akkoord of voorlopige opschorting van betaling.

5. Besluit

Het behoort dus aan de onderaannemer om bijzonder aandachtig te zijn voor de situatie van de hoofdaannemer en er voor te zorgen dat hij tijdig zijn eventuele rechtstreekse vordering instelt voor de rechtbank.

 

Tip 1

De onderaannemer dient uiterlijk de dag voor het faillissementsvonnis van de hoofdaannemer eraan komt de opdrachtgever dagvaarden voor de rechtbank teneinde betaling te bekomen van de door de hoofdaannemer aan hem nog verschuldigde bedragen.

 

Tip 2

Niets belet evenwel dat de onderaannemer ingeval van faillissement van de hoofdaannemer het voorrecht van art. 20,12 ° Hypotheekwet inroept.

Hij zal er daarbij wel rekening mee houden dat het voorrecht slechts gedurende vijf jaar na de uitgifte van de factuur kan worden ingeroepen. De rechtstreekse vordering daarentegen verjaart na verloop van tien jaar (art. 2262 Bis BW)